De literaire smaak van 'le petit Nicolas'

Het virulente debat dat op de opiniepagina's van de Franse kranten ontbrandde over de mogelijke opname van Albert Camus in het Panthéon en de hetze van een UMP-parlementslid tegen Prix Goncourtwinnares Marie NDiaye bewijst nogmaals hoe snel in Frankrijk de stekels worden opgezet als er literaire kwesties in het geding zijn. En dat geldt zeker als het Elysée er, van ver of van dichtbij, bij betrokken is. Dat de flamboyante Nicolas Sarkozy in het Franse schrijversgild weinig vrienden heeft, is genoegzaam bekend. Zelf deed hij aanvankelijk ook niet veel moeite om daar verandering in te brengen. Integendeel, de president durfde wel eens te koketteren met zijn eigen ‘desinteresse' op dat vlak. Schrijfster Yasmina Reza mocht Sarkozy voor haar geruchtmakende portret L'aube le soir ou la nuit dan wel volgen tijdens zijn verkiezingscampagne, en ‘le petit Nicolas' kon toen wel proberen om zelfs Bernard-Henri Lévy aan zijn zijde te krijgen, voor intellectuelen leek hij meestal de neus op te halen. Franje was de enige functie die hij een schrijver toedichtte.

Maar stilaan komt in dat enigszins ‘gespinde' beeld van Sarkozy als cultuurbarbaar - als doener in plaats van als denker - een kentering. De president heeft ontdekt dat schrijvers nog steeds van tel zijn in het publieke debat en hem flink kunnen vooruithelpen in zijn eigen politieke parcours. ‘Je wint nooit dankzij intellectuelen, maar je kunt ook niet zonder ze', zo verklaarde hij ooit laconiek, noteert Marijn Kruk in zijn lezenswaardige studie Parijs denkt (2009), waarin de essayist ook de verhoudingen tussen intellectuelen en de Franse politieke elite onderzoekt.
Door die koerswijziging heeft Sarkozy, zoals we zullen zien, paradoxaal genoeg aangetoond dat de Franse cultuur veel minder op sterven na dood is dan hij - en enige Amerikanen met hem - wel gedacht hadden. Een korte tour de France langs enkele recente ‘francoliteraire' guillotinages.

 

‘Zinloze lectuur?': La Princesse de Clèves
In de Franse culturele en literaire wereld nam begin 2009 het protest tegen de Franse president een ongewone vorm aan: het lezen van de zeventiende-eeuwse klassieke liefdesroman La Princesse de Clèves (1678) van Madame de la Fayette. Sarkozy drukte herhaaldelijk zijn misprijzen uit voor het boek, dat verplichte lectuur is in de Franse scholen. Sarkozy koesterde geen warme herinneringen aan de roman en zei bijvoorbeeld al in 2006 dat enkel ‘een sadist of een idioot vragen over La Princesse de Clèves verwerkt in de examens voor een job in de openbare diensten'. En hij voegde er schamper aan toe: ‘Je ne sais pas si cela vous est souvent arrivé de demander à la guichetière ce qu'elle pensait de La Princesse de Clèves... Imaginez un peu le spectacle!'
Sarkozy's herhaaldelijke aanvallen op het boek en de ‘zinloze lectuur' ervan zorgden er gek genoeg voor dat lezers, studenten en onderwijzend personeel de roman begonnen te verdedigen en massaal te lezen en te herwaarderen. La Princesse de Clèves groeide in een mum van tijd uit tot een symbool van protest tegen Sarkozy's (culturele) politiek. De verkoop van het boek piekte en op het laatste Salon du Livre was de hype van het moment de intussen wijdverbreide button met daarop de tekst ‘Je lis La Princesse de Clèves'.
In de protestatmosfeer die destijds in Frankrijk heerste tegen de sociaal-economische hervormingsplannen van Sarkozy werden tal van openbare lezingen van het boek georganiseerd, onder meer aan de Sorbonne, in theaters en aan het Panthéon. Intussen geldt het boek, een verhaal over plicht versus liefde aan het hof van koning Henri II, als eremerk voor een bepaalde opvatting van de Franse cultuur. Met dank aan Sarkozy's misprijzen.

 

Aversie van een Goncourtwinnares
Ook de kwestie-NDiaye beroerde vele pennen. Even leek het er zelfs op dat een lange ‘verlichte' Franse traditie van vrije meningsuiting onder druk kwam te staan. De Frans-Senegalese Marie NDiaye werd begin november 2009 bekroond met de Prix Goncourt, Frankrijks meest prestigieuze literatuurprijs, voor haar roman Trois femmes puissantes. Maandenlang zoemde het boek door alle Franse literaire bijlagen, kreeg het een prima pers en ging de verkoop als een sneltrein. Vrijwel iedere waarnemer leek haar de onderscheiding hartstochtelijk te gunnen. Wel had NDiaye in interviews, waarin ze elk woord wikt en weegt, nooit haar grote aversie voor president Nicolas Sarkozy onder stoelen of banken gestoken.
In Trois femmes puissantes verenigde NDiaye de verhalen van drie Senegalese vrouwen - Norah, Fanta en Khady - die zich teweer moeten stellen tegen vernederingen en bedrog en desondanks hun fierheid pogen te behouden. NDiaye voegt een aantal magische elementen toe aan het ‘als een muzikaal ensemblestuk' gecomponeerde boek. Toen NDiaye het nieuws vernam, toonde de laureate, die sinds 2007 in Berlijn woont, zich vooral gelukkig dat ‘de Goncourt weer eens naar een vrouw ging'. Bovendien kreeg de Prix Goncourt voor het tweede opeenvolgende jaar een ‘multiculturele' winnaar, na de Frans-Afghaanse Atiq Rahimi in 2008 met Syngué sabour. Hoewel NDiaye een hekel heeft aan het etiket van Afrikaanse schrijfster van de métissage is haar oeuvre stilaan doordrenkt geraakt van de problematiek van discriminatie en racisme, waarbij ze geregeld over het lot van zwarte Afrikaanse vrouwen reflecteert. Het leverde haar al de bijnaam van de Franse Toni Morrison op. Haar broer is trouwens Pap NDiaye, een van de grootste Franse specialisten van de question noire.

Groot was de consternatie toen Éric Raoult, voormalig minister van Integratie en parlementslid van de Franse regeringspartij UMP (de partij van president Sarkozy), amper een week na de uitreiking een balorige brief schreef aan de Franse minister van Cultuur Frédéric Mitterand. Hij was furieus over bepaalde politieke uitspraken van Goncourtwinnares NDiaye. Hij drong erop aan dat elke laureaat van de Prix Goncourt ‘zich aan een noodzakelijke reserve en distantie' moet houden bij het doen van publieke uitlatingen.
Met de brief viseerde Raoult opmerkingen van NDiaye in een interview met het tijdschrift Les Inrockuptibles in augustus 2009 - dus nog een poos voor ze de Goncourt ontving. Daarin had ze het Frankrijk van Sarkozy ‘monsterlijk' genoemd en de veranderde Franse politieke situatie mee als reden opgegeven voor de verhuizing in 2007 van haar gezin naar Berlijn. ‘We zijn verhuisd naar Berlijn na de verkiezingen, grotendeels vanwege Sarkozy, al kan dat enigszins snobistisch lijken', zo luidde het. NDiaye haalde toen ook uit naar politici als minister van Binnenlandse Zaken Brice Hortefeux en immigratieminister Éric Besson, die ze eveneens ‘monsterlijk' noemde. Ze maakte ook gewag van een ‘verwerpelijke, vulgaire atmosfeer' in Frankrijk en het feit dat Sarkozy & co en de rechterzijde ‘een vorm van dood' betekenen.
Afgevaardigde Raoult, die ook burgemeester in Le Raincy is, steigerde over de uitlatingen van NDiaye. Hij drong er in zijn schrijven op aan dat de boodschappen die de laureaten van de Prix Goncourt (‘tenslotte toch Frankrijks meest prestigieuze literaire prijs') verspreiden, moeten gebeuren met respect voor de nationale cohesie en het imago van ons land.' Hij noemde de uitlatingen van NDiaye zelfs van ‘een ongeziene gewelddadigheid, ja, zelfs beledigend voor de ministers van de Republiek en de president.' ‘Het recht op vrije meningsuiting moet niet verworden tot het recht om te beledigen of om persoonlijke rekeningen te vereffenen', aldus nog Raoult. Hij vond dat een vooraanstaand persoon die de literaire kleuren van Frankrijk verdedigt, ‘blijk moet geven van een zeker respect ten aanzien van onze instellingen, en van de rol en de symboliek die ze vertegenwoordigen'. Meteen riep hij ook de onlangs nieuw aangestelde cultuurminister Frédéric Mitterand tot de orde. Moest hij niets ondernemen tegenover deze filippica's?
De brief van Raoult lokte op slag een golf van verontwaardiging uit in literair Parijs en ver daarbuiten. Hoe kwam een politicus ertoe om op zo'n lafhartige manier de mond te snoeren van een schrijfster? Op veel bijval kon Raoult niet rekenen, al hielden zijn partijgenoten zich behendig op de vlakte. Le Nouvel Observateur legde de zaak voor aan Académie Goncourtlid Bernard Pivot. Die zei kort en klaar ‘dat een laureaat natuurlijk mag zeggen wat hij wil en dat hij na de prijs geenszins de Académie Goncourt vertegenwoordigt': ‘Marie NDiaye heeft politieke uitspraken gedaan, die enkel haarzelf betreffen en niet de Académie Goncourt. De Goncourt is niet de stem van Frankrijk.'

 

Lees het integrale stuk op www.dwb.be

 

 

Verschenen in DW B 2010 1: Belladonna

(foto Marie NDiaye: C. Helie)

Tags: Feuilles volantes, Franse literatuur
Geplaatst door Dirk Leyman/Hans Cottyn op 01-03-2010 om 22:38
Verwante berichten
Feuilles volantes
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening