PERIODIEK # 27 - De Revisor/Jaarboek I

Het eerste wapenfeit van de nieuwe redactie van het vooraanstaande literaire tijdschrift De Revisor is van hoogstaande kwaliteit en prikkelend. Het Jaarboek voor de nieuwe literatuur I is door het vers aangetreden viermanschap (Erik Lindner, Jan van Mersbergen, Gustaaf Peek en Daan Stoffelsen) onlangs gepresenteerd. Ongeveer gelijktijdig is de nieuwe, fris ogende site live gegaan. Ze wordt gecoördineerd door Daan Stoffelsen (die ook www.athenaeum.nl bestiert).
Ietwat vreemd is het wel dat daar staat aangekondigd dat De Revisor (als enige literair tijdschrift in Nederland) halfjaarlijks zal verschijnen, terwijl het duidelijk is dat dit ‘jaarboek 2010' de enige uitgave van dat jaar zal blijven. Gezien er ook geen redactioneel op de site, noch in het nummer staat, wordt dat niet verder toegelicht. In de ironisch ronkende en opzettelijk hoogdravende rede die Gustaaf Peek uitsprak bij het ten doop houden van het eerste nummer ("Welkom allemaal op deze avond van afgoderij. Want zo staan we hier, als een bende bijgelovigen, roezig en bezeten.") was duidelijk geen plaats voor dat soort muizenissen. Het nummer is dus wel mooi gepresenteerd, maar de redactie nog niet. En het blijft vooralsnog gissen naar hun programma.
Dat doet niets af de inhoud van het tijdschrift, dat zonder verdere plichtplegingen opent met dagboekfragmenten van de overleden cultschrijver van Mystiek lichaam en oud-redactielid Frans Kellendonk (foto). Wetenswaardig zijn de stukken die hij schrijft naar aanleiding van zijn bezoekjes aan Gerard Reve en de laatste Revisor-vergadering. Die noemt hij "onthutsend": er kwam "geen enkele opmerking" over zijn bijdrage, het verhaal ‘Buitenlandse dienst'. En over Reve onder meer: "Je kunt met hem alleen over feiten praten. Hij is zeer vriendelijk en plooibaar, gul en gastvrij."


Het jaarboek heeft geen thema, wat tegenwoordig een welkome afwisseling is in literair tijdschriftenland. Er zijn zowel oudgedienden als een debuterende dichteres te bewonderen. De poëzie van deze Bernke Klein Zandvoort zou je kunnen omschrijven als stadsgedichten. Uit de observaties van de dichter ontstaan kleine verhaaltjes, waar ze zelf slechts toeschouwer van is, alsof de stad met al zijn geluiden, kleuren en kleine drama's om haar heen draait.
Andere dichters zijn onder meer Anne Vegter (foto), antoine de kom, Eva Gerlach en Esther Jansma, die in een serie van negen gedichten een eigen begin van haar wereld schept: "Eerst maak ik dat Adam op een been/op de mast van een schip is gaan staan".
Piet Gerbrandy pleegt zijn poëzierecensies vrijwel altijd met een omweggetje te beginnen, maar start het essay waarin hij gedichten met prehistorische (en pretalige) grottekeningen vergelijkt juist met: "Poëzie lezen is een avontuur dat niet altijd goed afloopt."
Wat ook dreigde niet goed af te lopen is Gustaaf Peeks lezing van Max Havelaar, ‘de beste roman uit de Nederlandse literatuur', zoals de achterflap van Peeks exemplaar het stelt. De exclamaties, de platitudes, "de afgeraffelde en melodramatische geschiedenis van de star-crossed lovers Saïdjah en Adinda": Peek maakt hakhout van Eduard Douwes Dekkers magnum opus. Gelukkig is er Droogstoppel. Het ambigue personage dat maakt dat je dóór wilt lezen. Daarna raakt Peek onder de indruk van "de technische kwaliteiten van de roman, de hybride vorm" en ook de vrijheid waarmee Multatuli zijn werk schreef.
Multatuli komt eveneens aan bod in het essay van Michael Orthofer, een Amerikaans criticus (hij bespreekt oude en nieuwe literatuur op The Complete Review) die goed op de hoogte blijkt van de Nederlandse en Vlaamse literatuur. Hij noemt Nederlandstalige literatuur kosmopolitisch. Volgens hem heeft het succes van Gerbrand Bakkers Boven is het stil (Daan Stoffelsen schreef voor dit nummer overigens een interessant verslag over zijn leeservaring van de Engelse vertaling van de roman van Bakker (foto) te maken met een "fundamental cosmopolitism". Daar valt over te twisten. Maar dat Nederlandse auteurs behept zijn met een "outward awareness" en een "international orientation": dat is weer eens wat anders dan de eeuwige roep om meer engagement, meer straatrumoer, meer internationale allure en minder navelstaarderij. Het essay leest als een lofzang op de Nederlandse literatuur.
Jan van Mersbergen tenslotte breekt een lans voor de Venlo'se carnavalsliederen, met name die van de laatste carnavalsavond, vastelaovond genoemd. Zeer plaatsgebonden, gezongen in dialect en alleen als er veel bier aan te pas is gekomen, maar met een kracht waar Van Mersbergen jaloers op kan worden. Universeel.


Kôm gank mei, dan vertel ik dich van vastelaovond
Kôm dans mei, en dan duit gans de stad dich vanavond
De leedjes kedo, van vruuger wies noow,
dus stank op en sjoenkel en dreij!

 

De Revisor, Jaarboek 2010, Querido, 203 pagina's, 19,95 euro, ISBN 9789021438900

Tags: Literaire tijdschriften, Nederlandse literatuur
Geplaatst door Wineke de Boer op 01-02-2011
Verwante berichten
Periodiek
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening