PERIODIEK # 33 - DW B - Max Frischnummer

De "lastige", maar nog altijd goed leesbare Zwitserse toneel- en prozaschrijver Max Frisch (1911-1991) is een kolfje naar de hand van het Vlaamse literaire tijdschrift DW B. Het serieuze en op glad papier gedrukte blad ("oud van dagen, maar jong van geest") noemt zichzelf een "creatief laboratorium voor literatuur en de kruisbestuiving met beeldende kunst, fotografie, architectuur, theater...". Het honderdste geboortejaar van de invloedrijke Duitstalige schrijver, die ook architect was, is de aanleiding voor een themanummer.
Frisch vertoefde tijdens zijn leven vaak in de Verenigde Staten en dan vooral in New York. Eigenlijk had hij het benauwende Zwitserland het liefst helemaal achter zich gelaten. Toch is hij hier in Europa niet vergeten: zijn toneelstuk Andorra (1961), over antisemitisme en massapsychologie, staat op Duitse middelbare scholen nog altijd op de verplichte leeslijst.
Het thematische gedeelte van het nummer is opgebouwd rond de tweede poëticale lezing uit Frisch' Schwarzes Quadrat. De lezing behelst een existentiële benadering van literatuur waarin de vraag "Wat vermag literatuur?" de rode draad is. Aan het slot ervan concludeert Frisch: "De functie van de literatuur in de samenleving zit, vind ik, in de permanente irritatie dat ze bestaat." En: "De kunst als hoeder van de utopie".
Daniel de Vin, die promoveerde op de beroemde Tagebücher van Max Frisch, is verantwoordelijk voor de keuze van de gepubliceerde essay's en de vertaling ervan. Zo worden er diverse kanten van deze veelschrijver belicht. De Vin schreef zelf een inleidend stuk en de Vlaming Christophe van Gerrewey bezorgde de enige origineel Nederlandstalige bijdrage, over het theaterstuk Die Chinesische Mauer.
Frisch-kenner Beatrice von Matt, van wie onlangs een essaybundel verscheen over het leven en werk van Max Frisch, schrijft over het motief van de zee in het werk van de Zwitserse schrijver. Het staat volgens haar voor het "uitbreken uit de beknelling, als een kuiken uit de schaal, nieuwe oorden opzoeken".
In het tweede deel van deze aflevering van DW B is ook ruimte voor een wat lichtere toets. Het trio de "Jonge wolven" (bestaande uit Hans Bogaert, Willem Bongers en Hans Demeyer) binden in briefvorm op aangename wijze de strijd aan. Deze, tweede keer doen ze dat over twee romans waarin een groep jongeren centraal staan: Wij van Elvis Peeters en De stolp van Jeroen Theunissen. Verder onder meer een lezenswaardig essay van Hans Cottyn over het instituut van de schrijver dat, mede door de digitalisering van de literatuur, steeds diffuser is geworden: "Literatuur is overal heen gelekt".

Paul Claes begint een nieuwe reeks onder de titel "Sleutels" waarin hij gecanoniseerde gedichten bespreekt. De eerste in de reeks is "De zefier waait, eens liefste" van de hermetische dichter Hans Faverey, dat hij vakkundig ontleedt.

De Amerikaanse romanschrijver Richerd Powers tenslotte, lanceert in DW B niet minder dan een nieuw genre: het "ficto-essay". Onder de titel "Wat weet fictie" schrijft hij over een voorval dat hij meemaakt in Berlijn. Feit en fictie raken vermengd nadat de schrijver en zijn vrouw in de krochten van de U-Bahn zijn gestuit op een vijfentwintig-jarige joods- Russische acordeonist die een fuga van Bach speelt. "Waarom Bach, na alles wat er is gebeurd? Waarom uitgerekend Berlijn?"

Tags: Literaire tijdschriften, Duitse literatuur, Periodiek
Geplaatst door Wineke de Boer op 17-06-2011
Verwante berichten
Periodiek
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening