PERIODIEK # 34 - Filter, 'Lust en gratie van het vertalen'

Het nieuwste nummer van Filter, het tijdschrift over vertalen, ontleent zijn titel Lust en gratie van het vertalen aan het openingsartikel van de hand van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlene van Niekerk. Filter publiceert de prachtig geschreven feestrede die zij uitsprak bij de uitreiking van de Martinus Nijhoff Prijs 2010 aan haar vertaalster Riet de Jong-Goosssens. Op originele en humoristische wijze beschrijft zij hoe de samenwerking tussen hen al twintig jaar verloopt. Van Niekerk sluit af met een twintigtal zeer rake observaties over de taak en de meerwaarde van de vertaler, onder het motto 'Lust en gratie van het literaire spel'. Veel aandacht in deze editie voor poëzievertalingen, met om te beginnen twee discussies over de correctheid en interpretatie van vertalingen. Het eerste debat betreft een ingezonden brief van Robbert-Jan Henkes naar aanleiding van een bespreking door Thomas Langerak in het vorige Filter-nummer. Henkes vindt een aantal kanttekeningen bij zijn Tsjoekovski-vertaling onterecht. Heeft Langerak wellicht een corrupte (lees: piraat-) versie gebruikt? In een eenregelig naschrift meldt de redactie dat dat inderdaad het geval blijkt te zijn geweest.
Steviger is het verschil van mening tussen Paul Beers (vertaler van Paul Celans gedichten aan Bachmann) en Ton Naaijkens (die in 2003 gedichten van Celan vertaalde en daarnaast redacteur is van Filter). In zijn vergelijking tussen beide vertaalversies is Beers afwisselend lovend en afwijzend over Naaijkens' oplossingen. "Hoe ver kun je gaan in het naar je hand zetten van een vertaling", laat hij zich een keer ontvallen. In een daaropvolgend artikel reageert Naaijkens vernietigend: "Alles wat Paul Beers beweert is aanvechtbaar, is mening." Liever had hij gezien dat Beers zijn vertaalkeuzes ten opzichte van die van Naaijkens in zijn vertaling had gedocumenteerd en niet zonder overleg regels had overgenomen of verworpen. Voorts wordt er in twee artikelen aandacht besteed aan Engelse vertalingen van Nederlandse poëzie. Zo worden de Faverey-vertalingen door J.M. Coetzee besproken, en is er een overzicht van de Engelse vertalingen van Martinus Nijhoffs 'ultieme Utrechtgedicht Awater'.

Een vrolijke bijdrage is er van Huub Beurskens die, het Russisch niet machtig, Joseph Brodsky (foto) las in Duitse en Nederlandse vertaling. De ruimte tussen beide vertalingen inspireerde hem tot het maken van 'tussengedichten', zogenaamde 'zykovs'. Theoretischer van aard is de uiteenzetting van Henri Bloemen over het fetisjkarakter van de vertaling, en dit aan de hand van een passage uit Marx' Het Kapitaal.
Het artikel van Andreas F. Kelletat, schrijver, vertaler en hoogleraar aan een Duits vertaalinstituut, is verreweg het meest theoretisch. Kelletat buigt zich over de wetenschappelijke omgang met het vertaalde gedicht, die naar zijn mening onbevredigend is. In zijn slotwoorden haast Kelletat zich de hulp van de wetenschap aan de vertaler te nuanceren: "...bij de talloze beslissingen over hoe dit woord of dat talig fenomeen in de eigen taal eruit moet zien, helpt geen nog zo uitgedokterde theorie (...). De vertaler blijft op zichzelf en zijn/haar intuïtie aangewezen (...)."

 

Filter, jaargang 18, nr. 2, juni 2011.

Tags: Literaire tijdschriften
Geplaatst door Marjolein Corjanus op 15-07-2011
Verwante berichten
Periodiek
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening